Manu Claeys: Van activisme tot participatie

Red de democratie! is een heel sprekende titel. Het geeft aan dat er een probleem is, maar tegelijkertijd zit in de titel vervat dat er een oplossing voor bestaat. Het uitroepteken benadrukt de sense of urgency. Waarvan moet de democratie gered worden? (interview Manu Claeys - DNG maart-juni 2019)

Manu Claeys: “Ik denk dat de democratie van twee zaken moet gered worden. Ten eerste het idee dat “de markt” alles zal oplossen. Het is een idee dat tijdens de jaren tachtig, vooral onder Thatcher en Reagan, ingang vond. Zij werden hierin gesteund en gelegitimeerd door de economen van de School of Chicago, waarvan er verschillende ook nobelprijzen wonnen. Zij beschouwden economie als een exacte wetenschap met natuurwetten. Alle problemen zouden worden opgelost door de markt. Dit ging gepaard met het afstoten van het middenveld en het collectief beheer werd vermarkt. Na het einde van de koude oorlog was er bovendien een sfeer van triomf in het Westen. De vrije wereld had haar overwinning behaald op de “andere kant” die niet vrij was. Wij hebben vrije pers, vrijheid van meningsuiting en uiteraard de vrije markt. Intuïtief wordt ervan uitgegaan dat we dan ook meer democratie zouden hebben maar daar zijn kansen blijven liggen. Het werd al snel duidelijk dat indien men de markt laat beslissen, dit haaks staat op burgerbetrokkenheid. Het is ook niet toevallig dat sinds 1992, drie jaar na de val van de muur, het vertrouwen in de politiek systematisch achteruit gaat.

Mensen kwamen terug op straat.. “Rond de eeuwwisseling hebben we de protesten van de andersglobalisten gekend. Een protest met als rode draad het opkomen tegen de machten die de samenleving in hun greep houden zoals het World Trade Organization, multinationals en dergelijke. Het is een protest dat zich overal op een andere manier manifesteerde en rond andere thema’s gebundeld was, maar vooral aangaf dat een ander alternatief mogelijk is.

De democratie moet ook gered worden van het groeiend wantrouwen. Ik ben, voor alle duidelijkheid, een grote believer in de democratie maar ik vrees dat de democratie in haar huidige vorm op haar limieten is gebotst. Ze is herleid tot een eng idee: verkiezingen en instellingen. Die volstaan echter niet om complexe problemen zoals migratie, klimaat, ongelijkheid, aan te pakken De democratie vandaag is te zwak en figuren zoals Trump en Orban hollen haar nog verder uit. In mijn boek, en ook daarbuiten, exploreer ik nieuwe mogelijkheden om een buffer te vormen tegen dat intern uithollen van een systeem dat ik erg genegen ben.”

Red De Democratie

Heeft de democratie dan ooit gewerkt of zitten er systeemfouten in? “Je moet alles in de tijdsgeest zien. In de tijd van de Founding Fathers (red. grondleggers van de Verenigde Staten van America oa. George Washington, Thomas Jefferson, enz.) kon maar een gedeelte van de bevolking kiezen. Vrouwen, mensen van kleur, mensen die niet voldoende verdienden, konden niet stemmen. We mogen ook niet vergeten dat het maar verkiezingen zijn. Op basis van eenzelfde stemgedrag kan je verschillende uitslagen genereren: elk land heeft zijn eigen systeem – het zit al in de manier waarop je een lijst vormt. Heb je een ‘winner takes it all-systeem’ of niet? Vaak is het systeem ook op het lijf van de machthebbers geschreven.

Anderzijds zijn verkiezingen de enige manier om op een geweldloze manier aan een regimewissel te doen. Ik ben dus eerder voor stemplicht, het is de meest laagdrempelige manier van burgerbetrokkenheid. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de democratie goed gewerkt. WO II was een wake-up call. Instellingen werden versterkt en we hadden een legitiem bestuur. Nu is er meer nodig. Het vertrouwen is sinds ‘92 achteruitgegaan. Er is een zekere polarisering in het politiek debat binnengeslopen, waarbij groepen met een duidelijk stelling voor of tegen, succesvol zijn. De narratieven van de centrumpartijen slaan niet meer aan. Het zoeken naar common ground en sociale vrede wordt als minder relevant ervaren.”


Als we naar de meest recente burgerprotesten kijken; de gele hesjes in Frankrijk en de klimaatspijbelaars, lijken die ook aan twee uitersten te zitten. Hoe vind je daar common ground? Hoe verzoen je hun bekommernissen? “Dit is een typisch voorbeeld van een artificiële polarisering. De groepen worden tegenover elkaar geplaatst. De jonge, hoger opgeleide, kosmopolitische, progressieve middenklasse tegenover een lagere middenklasse die eerder landelijk woont en uit een vorm van egoïsme met vervuilende auto’s wil blijven rijden. Die tegenstelling is vals. Wat beide groepen vragen is rechtvaardigheid. Het is niet fair dat mensen uit landelijke gebieden die hun auto nodig hebben om op het werk te geraken, de prijs moeten betalen van een falend klimaatbeleid. Ondertussen ontspringen de echte vervuilers de dans en zit hun fortuin veilig op de Kaaimaneilanden verstopt. Net zo min als het fair is dat jongeren tot niet-ecologische keuzes worden gedwongen omdat het ecologisch alternatief te duur is. Ook dit is een verhaal van koopkracht.

Ze worden tegen elkaar uitgespeeld. Er wordt een narratief op hen geplakt en hun signalen worden gerecupereerd. Dergelijke oprispingen zijn altijd een teken van onmacht. Ook hier in Antwerpen (red. Manu Claeys lanceerde in 2005, voor en vanuit het Antwerpse bewonerscollectief stRaten-generaal, een alternatief voor de Oosterweelverbinding) was het een gevoel van onmacht dat ons in beweging bracht. We hadden het gevoel vast te zitten, het gevoel onze kinderen niet te kunnen beschermen tegen vuile lucht. Protest was de enige manier om ervoor te zorgen dat met onze bekommernissen rekening gehouden werd.”

Wat is dan de volgende stap? “We moeten op zoek gaan naar instrumenten en werkwijzen om die polarisering te ontkrachten en zo de democratie te versterken. De twee belangrijkste argumenten tegen burgerparticipatie zijn dat er onder burgers nu eenmaal ook veel meningsverschillen zijn en dat je altijd met een valse consensus dreigt te eindigen. Het is belangrijk om die meningsverschillen een plaats te geven want ze zijn relevant om weerstand te detecteren. Mensen willen gehoord en gerespecteerd worden. Daarnaast kan transparantie al veel weerstand weghalen: als het duidelijk is binnen welk kader iets kan gerealiseerd worden, kunnen bepaalde reserves of tegenkantingen verdwijnen. Wij zijn ook niet op zoek gegaan naar een consensus of compromis in zijn pure vorm. Eerder naar een vorm van consensus waarbij iedereen zich achter het meest haalbare voorstel kan scharen, naar wat men in het Engels consent noemt.  Men hoeft daarom de overtuiging dat z’n eigen idee beter was, niet te laten varen. Door naar die vorm van instemming te zoeken, maak je iedereen eigenaar van het nieuwe voorstel. Zo worden initiële tegenstanders ook ambassadeurs van het voorstel. Ik maak hier een duidelijk onderscheid tussen de activist en de participant. Je hebt beiden nodig: de activist om maatschappelijke thema’s op de agenda te zetten en de participant om via procedures die door de overheid georganiseerd zijn tot resultaat te komen.”


U stelt het octopusmodel voor als model om de democratie te herdefiniëren: “Een dier dat met zijn hele lichaam denkt, drie harten heeft en acht armen die deels autonoom handelen.”
“De acht armen zijn in dit model acht rollen die burgers kunnen opnemen; acht burgeridentiteiten als het ware. Je hebt de activistische rollen die ik in mijn boek beschrijf als de motor van verandering. De Pionier zoals Rosa Parks en Greta Thurnberg. Zij die het hebben gehad, die vinden dat er nu iets moet gebeuren. De Dissident; degene die zich buiten de maatschappij zet. De Journalist is degene die actief gaat communiceren en een narratief gaat opbouwen of rond beeldvorming gaat werken. En dan heb je de Rebel. De Rebel is degene die soms bijna fysieke risico’s neemt om een punt te maken zoals de Iraanse Hosseini die tot twee jaar gevangenisstraf werd veroordeeld omdat ze haar hoofddoek aan een stok had gehangen. In democratieën heb je zelden rebellen en kan je over het algemeen met dissidentie je punt maken. Ook bij de burgerparticipatie heb je vier rollen: in deze fase ga je samenwerken met het bestuur. Die participatie kan erg beknopt zijn. De Kiezer is een participant in zijn meest minimalistische vorm. De Verzoeker is degene die deelneemt aan procedures, naar info-avonden komt, klacht indient enz.
De Deliberant is nog meer betrokken dan de Verzoeker. De Deliberant kan bijvoorbeeld in burgerpanels zitten. Denk aan hoe in Ierland, dankzij zo’n burgerpanel, abortus werd gelegaliseerd. Het draagvlak bij de bevolking was groter dan het politieke draagvlak. Het panel was een heel dankbaar instrument om een wet te laten stemmen die er anders niet was gekomen. De stakeholders zijn de vertegenwoordigers  van het maatschappelijke middenveld die idealiter mee aanschuiven tijdens het beslissingsproces, in wat we werkbanken noemen. Uiteraard is het mogelijk om tussen die verschillende identiteiten te schakelen. In het Oosterweeldebat zijn we met Straten- generaal als activist begonnen om te vervellen tot participant.”
Hoe passen de mensen die in de eerste plaats bezig zijn met overleven in dit verhaal, hoe zorg je ervoor dat ook hun stem gehoord wordt? “Dat is een argument dat vaak misbruikt wordt om de legitimiteit van burgerparticipatie te ondergraven. Ook in onze casus waren er wijken waar je niet meteen veel burgerparticipatie verwacht. Toch wilden we ook daar de temperatuur gaan meten. Zo hebben de ontwerpers in verband met het overkappen van de ring eens een infovergadering georganiseerd aan de ingang van de Colruyt. Daar hoor je dingen waar je vooraf niet aan hebt gedacht en heb je toch een participatief moment gecreëerd. Ook die burgers zijn gehoord geweest. Je kan de geest van wat daar werd gezegd, capteren en er rekening mee houden in je beslissingsproces. Het vraagt natuurlijk wat meer energie en tijd en vooral creativiteit, maar het is erg belangrijk om ook die stemmen te horen.”


Welke rol heeft de media gespeeld? “De rol van de media in burgerparticipatie blijft een zoektocht. Politicologen en journalisten houden van een helder narratief met ‘goeden en slechten’, ‘winnaars en verliezers’. Ze schrijven en brengen graag de politiek politicienne (red. Politique politicienne is een pejoratieve aanduiding die in de Vlaamse media vaak wordt gebruikt voor een politiek die zich meer concentreert op politieke strategieën en machtsverhoudingen dan op inhoudelijke kwesties. De politiek zou op die manier te ver afstaan van wat de burger interesseert) in beeld. Mensen lezen graag verhaaltjes over complotten en intriges en journalisten gaan graag op die vraag in. Burgerparticipatieve initiatieven zijn veel moeilijker in dat format te gieten. Wij hebben zelf ons verhaal geschreven. De Activist als journalist, zoals daarnet beschreven. We hebben zelf ons narratief bepaald. Door de reikwijdte van het initiatief - omdat iedereen betrokken partij is - heeft de lokale pers mee ons verhaal verteld. De nationale pers kwam piepen wanneer er spanningen waren, als het verhaal volgens de logica van de politiek politicienne kon verteld worden. Er bestaat immers nog geen taal voor dit soort democratie. Een samenleving met meer burgerparticipatie vraagt een ander soort leiders, die een minder defensief taalgebruik hanteren. Dan krijgen we automatisch ook een ander soort journalistiek.” Ik kijk ernaar uit!


INTERVIEW: JUDY VANDEN THOREN

ID MANU CLAEYS  (1964) is essayist en voorzitter van het Antwerpse bewonerscollectief stRaten-generaal, dat in 2010 de Prijs voor de Democratie kreeg en in 2017 met de Vlaamse overheid een Toekomstverbond afsloot over een duurzaam mobiliteitsplan in Antwerpen. Sinds zijn veelbesproken ‘Het Vlaams Blok in elk van ons (2001)’ exploreert Claeys al bijna twee decennia eigentijdse vormen van politiek burgerschap.

Foto Manu Claeys op de homepage www.pulsenetwerk.be