Zij is mijn filosofische leidsvrouw. Hans Achterhuis over z’n coup de foudre voor Hannah Arendt.

Hans Achterhuis (1942) is emeritus hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit Twente. Hij is bekend als publieke intellectueel die zich regelmatig mengt in maatschappelijke discussies. De nadruk in zijn werk ligt op de sociale filosofie, waarbij hij zich heeft gericht op thema’s als ontwikkelingshulp, welzijnswerk, schaarste en technologie.Achterhuis recenseert wijsgerige literatuur voor de Volkskrant en is redacteur van het Kritisch Denkerslexicon en het Tijdschrift voor Filosofie.

Full

Veel mensen geloven mij niet wanneer ik bij lezingen vertel dat ik ‘De banaliteit van het kwaad’ van Hannah Arendt, dat handelt over het proces tegen de nazimisdadiger Adolf Eichmann, in de ramsj heb gekocht. Ze denken ook dat ik overdrijf als ik eraan toevoeg dat ik toen de naam van de auteur nauwelijks kende. Hoe is dat mogelijk, verzucht men. Het begrip ‘de banaliteit van het kwaad’, hoe omstreden de inhoud ervan ook mag zijn, is tegenwoordig ingeburgerd en Arendt zelf wordt nu als een van de grootste filosofen van de twintigste eeuw beschouwd. In 2013 werd er zelfs door Margarethe von Trotta een speelfilm over haar visie op het Eichmannproces gemaakt, die ook in de Nederlandse bioscopen redelijk succes had.  

Met mijn beperkte budget was ik in de jaren zestig een regelmatig bezoeker van ‘De Slegte’, een paradijs vol tweedehands boeken. Daar lag het in stapels. Tekenend was ook dat het pas in 1969 vertaald werd, vier jaar na het verschijnen ervan in het Engels, weinig aandacht kreeg en dus snel uit het reguliere boekenaanbod verdween.

Voor mij werd het echter meteen een unieke leeservaring, die ik later wel eens als ‘liefde op het eerste gezicht’ omschreven heb. Ik was gevangen in een tekst die mij niet losliet, voordat ik de duizelingwekkende vragen over politiek en moraal, goed en kwaad, schuld en boete die zij aan de orde stelde, tot mij had laten doordringen. De stijl was weerbarstig en persoonlijk. Geen gemakkelijke grote analyses, maar directe observaties met weidse conclusies die mij diep raakten. Hoe zou ik mij als gemiddeld burger in het Duisland van Hitler, maar ook in het bezette Nederland, hebben gedragen, was de vraag die ik dagenlang met mij meetorste.

Tiny, mijn vrouw was niet jaloers toen ze merkte hoe gegrepen ik was. Met Sinterklaas kreeg ik De mens, bestaan en bestemming, zoals de Nederlandse vertaling luidde van Arendts boek The Human ConditionOp mijn koude zolderstudeerkamer worstelde ik met de tekst. Ik begreep er weinig van, zij het achteraf misschien meer dan de uitgever en vertaler. Want als er één boodschap uit dit boek klinkt, is het wel dat ‘de mens’ niet bestaat. Er is een pluraliteit van mensen en bij de gratie van deze pluraliteit is er politiek mogelijk. Mensen zijn gelijk en verschillend betoogt Arendt in het deel dat over ‘handelen’ gaat. In de mooiste en belangrijkste passages beklemtoont zij vooral de verscheidenheid, zingt ze het loflied van de verschillen.

Een verliefde heeft nooit genoeg. In dezelfde tijd verscheen Geweld, macht en onmacht, de weer wat knullige vertaling van haar boek On ViolenceDat was echter een verwarrende leeservaring. Omdat ik de marges van de pagina’s van mijn boeken altijd rijkelijk van commentaar voorzie, kan ik haar grotendeels reconstrueren. De tekst ergerde mij bij vlagen, omdat Arendt mijn toenmalig idool Jean-Paul Sartre hardhandig aanpakte. Sartres verheerlijking van het geweld, met name in zijn beruchte/beroemde voorwoord van de bijbel van de toenmalige derde wereldbeweging waar ik actief in participeerde, De verworpenen der aarde van Franz Fanon, werd door haar genadeloos bekritiseerd. Als ik al niet vanwege een stevige liefde met Arendts essay begonnen was, dan had ik het waarschijnlijk snel terzijde gelegd. Nu las ik door en zocht tegenargumenten bij de tekst. Die vond ik niet. Wat niet wil zeggen dat ik haar op stel en sprong gelijk gaf. Zo snel verdwijnen overtuigingen, ook van filosofen, nu eenmaal niet. Maar haar argumenten en beschouwingen bleven onderhuids doorzeuren, totdat ik mij na enige tijd gewonnen gaf.


Ik bleef verleid, geïntrigeerd, maar ook af en toe geërgerd door haar werk ​
Hans Achterhuis

Intussen las ik zo ongeveer al haar overige werk en leerde ik haar levensloop enigszins kennen. Begin jaren tachtig maakte de onovertroffen biografie Hannah Arendt- For Love of the World van Elisabeth Young-Bruehl mij het mogelijk om uit de vele losse feiten een aansprekend verhaal te bouwen. Het joodse meisje dat bij Heidegger ging studeren, verliefd op hem werd, (wat tussen haakjes mij best boos en jaloers maakte), afstand van hem nam vanwege zijn keuze voor het nazisme en naar de Verenigde Staten vluchtte om daar beroemd te worden met haar grote studie over nazisme en communisme The Origins of Totalitarianismkreeg een duidelijk en aantrekkelijk gezicht. Langzaam kreeg ik ook meer greep op het geheel van haar denken en op de wijze waarop dit in de politieke werkelijkheid van de twintigste eeuw moest worden gesitueerd.

Mijn liefde bleef overigens een eenzame affaire. Arendts denken paste toentertijd niet in het tijdsgewricht. Ze noemde zichzelf wel ‘een bewuste paria’, en als zodanig werd ze ook door mijn linkse omgeving beschouwd. Dat bleef zo na ‘mei’68’, toen neomarxisten als Marcuse en ook nog Sartre en later neonietzscheanen  als Foucault de toon aangaven. Nog in de jaren tachtig werd ik door mijn collega-wijsgeren van de Universiteit van Amsterdam met een scheef oog aangekeken, omdat ik werkgroepen over Arendt gaf. Was zij met haar journalistieke reportages wel een volbloed filosofe? En waar moest je haar maatschappelijk en politiek plaatsen? Was zij conservatief of toch revolutionair? Tot welke filosofische school behoorde zij?

Op dit soort vragen bleef ik het antwoord schuldig. Je gaat iemand op wie je verliefd bent, niet tegen de buitenwacht verdedigen. Ik bleef verleid, geïntrigeerd, maar ook af en toe geërgerd door haar werk. Maar dat laatste hoorde er zonder meer bij. Wel merkte ik dat het publieke tij langzaam keerde. Dat gebeurde eerst in het buitenland. In Parijs, New York en Berlijn bleken de wijsgerige boekhandels hele planken met haar werk te hebben. De filosofen in de Lage Landen volgden schoorvoetend. Plots werd ik door collega’s die vroeger argwanend naar mijn passie keken, verweten dat ik onvoldoende rekening hield met bepaalde aspecten uit haar werk. Het kan verkeren. Nu kun je niet meer om haar werk heen als je wijsgerig mee wilt tellen. De grote Arendt-kenners Dirk De Schutter en Remi Peeters zorgden voor nieuwe, uitstekende vertalingen van haar boeken. Helaas nog niet van haar wijsgerige hoofdwerk The Human Conditionwaarvan ikzelf na veel gezeur bij de uitgever in elk geval de titel wist te veranderen.

Het lijkt of ik zo achteraf mijn gelijk haal met mijn liefde voor Arendt. Toch voelt het niet zo. Soms denk ik dat de vroegere paria mij liever was. Daar kon ik af en toe boos op worden en mee redetwisten. Dat hoort bij een intense relatie waarin je de ander serieus neemt. Helaas kan dat niet met het politieke correcte beeld van Arendt dat om respect vraagt. Ruzie mag niet. Een paar keer heb ik meegemaakt hoe een zaal belangstellenden bij een avond over Arendt door de discussieleider voor een gewenst politiek karretje werd gespannen. ‘Dat willen we toch allemaal, open grenzen voor vluchtelingen? Dat zou Arendt ook gewenst hebben, nietwaar’? Eenmaal heb ik mij durven verzetten tegen de warme emotie die zo opgeroepen werd, door vriendelijk te betogen dat volgens mij dit voor Arendt niet klopte. Dat werd mij niet in dank afgenomen. Het gezamenlijke warme gevoel van aan de goede kant te staan, verdween in de kribbige discussie die volgde. De volgende keren dat een discussieleider of een inleider Arendt liet buikspreken voor het goede doel, hield ik maar mijn mond om de sfeer niet te bederven.


Ik heb ondertussen veel over Arendt geschreven en haar ideeën in veel van mijn studies verwerkt. Zowel in Arbeid, een eigenaardig medicijn als in Met alle geweld is zij mijn filosofische leidsvrouw. Het boek dat ik over Arendt wilde schrijven, heb ik vaak aangekondigd, maar het is er (nog?) niet van gekomen. Waarom niet, wat zat mij dwars?

Ik kan een aantal voor de hand liggende redenen bedenken waarom dit boek er niet kwam. Eerst wilde ik haar simpel met een uitgebreide, inleidende studie in het Nederlandse taalgebied introduceren. Maar dat bleek niet meer nodig toen een verdienstelijk proefschrift van Prins verscheen: Op de bres voor vrijheid en pluraliteit. Daarna ging ik als hoogleraar naar de Universiteit Twente om een onderzoeksprogramma over techniekfilosofie te leiden. Arendt kwam daarin ter sprake, maar er was geen ruimte voor ‘het grote boek’.

Zijn mijn ‘goede’ redenen toch ook niet uitvluchten? Want ook na mijn emeritaat kwam de beloofde studie er niet. Er was steeds een nieuwe goede reden om een ander thema – geweld, neoliberalisme, de romans van Coetzee – aan te snijden. Ondertussen begon ik wel af en toe aan het grote boek, maar ik durf niet meer zo luid te verkondigen dat het er snel komt. Wel heb ik al een titel: De onbekende Arendt.

Hoe durf ik zo’n titel te suggereren? Er staan tientallen secundaire wijsgerige studies over Arendt in mijn boekenkast.  Is er nog iets onbekends te ontdekken? Ik vermoed toch van wel. Ik zou mijn paria van vroeger willen terugvinden door te betogen dat Arendt geen filosofe is. Dat zei ze zelf ook vaker, onder andere in een beroemd interview met Günter Gaus. Ze protesteert heftig wanneer mevrouw Arendt als zodanig wordt aangesproken. ‘Ik maak geen deel uit van de kring der filosofen… Ik voel mij helemaal geen filosofe…Volgens mij heb ik de filosofie definitief vaarwel gezegd. Zoals u weet, heb ik filosofie gestudeerd, maar dat wil niet zeggen dat ik filosofe gebleven ben’.

Ik zou Arendt hier op haar woord willen nemen en haar willen bevrijden uit de klauwen van de goedwillende wijsgeren die haar tegenwoordig omhelzen. Ik kan het wel verklappen, een van de onderdelen De onbekende Arendt  betreft het joodse denken van Arendt. Meestal wordt zij als een Griekse denkster gepresenteerd, waardoor haar joodse thematiek uit het oog verdwijnt. Die spreekt kennelijk ook niet aan. De geschiedenis waarmee ik mijn verhaal begon, lijkt zich hier te herhalen. In 2007 verscheen een vertaling van de tientallen Joodse essays, die haar levensloop markeren. Er was geen belangstelling voor. Een jaar later lag het boek, ondanks dit keer een enthousiaste recensie van mijn hand, bij De Slegte.

Zo heb ik haar weer een beetje voor mijzelf. De beroemde foto van Arendt als een knappe joodse studente staat groot op mijn studeerkamer. Ik kijk er graag naar. Misschien komt er zo toch nog een late publieke liefdesverklaring.

Hans Achterhuis