Edde daar iets op tegen misschien? Ewa ja! - Interview met Sarah Van Hoof

Kunt u zich voorstellen dat Frank en Simonneke uit de serie ‘Thuis’ ruzie maken in het Algemeen Nederlands? Moeilijk! Alle personages spreken tussentaal; een informele Nederlandse spreektaal die geen dialect maar ook geen Standaardnederlands is. Is het Standaardnederlands nog wel gekend en wordt het nog gesproken of evolueren we van Algemeen Nederlands naar een “Algemene Tussentaal”? We vragen het aan Sarah Van Hoof, sociolinguïst en docent Nederlands en meertalige communicatie aan de Universiteit Gent.

S200 Sarah Van Hoof Klein

(Interview met Sarah Van Hoof uit DNG maart/april/mei 2018, over standaardtaal, ideologie en praktijk.) 

Prof. dr. Sarah Van Hoof (1985) is sociolinguïst en docent Nederlands en meertalige communicatie aan de Universiteit Gent. Voorheen werkte ze als aspirant van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen (FWO) aan de Universiteit Antwerpen. In 2013 verdedigde ze haar doctoraat over taalbeleid en -praktijk in fictie op de Vlaamse openbare omroep. Daarna was ze als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Center for Multilingualism in Society across the Lifespan aan de Universiteit Oslo (Noorwegen). Ze heeft diverse artikels gepubliceerd over taalideologie, taalpolitiek en taalgebruik in het naoorlogse en hedendaagse Vlaanderen en redigeerde samen met Kevin Absillis en Jürgen Jaspers de bundel De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams (2012).

Toen ik op de schoolbanken zat werd men verplicht om Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) te praten. Intussen is het “beschaafd” verdwenen en spreekt met van Algemeen Nederlands (AN). Wanneer is het idee ontstaan om één standaardtaal in te voeren?

“Een streven naar eentaligheid en naar standaardtaligheid is eigen aan zowat alle moderne natiestaten. In de 17de eeuw wilden verlichte denkers als Francis Bacon en John Locke een gezuiverde, uniforme taal ontwikkelen die ontdaan zou zijn van ambiguïteit en sociale connotaties en het vehikel kon zijn van logica en rationaliteit. Die taal zou er ook voor zorgen dat iedereen op gelijke voet zou kunnen deelnemen aan het publieke debat. Die verlichte logica zie je tot vandaag in tal van nationale contexten terugkeren. Anderzijds maakte vanaf de 18de eeuw ook het romantische nationalisme opmars, met Johann Gottfried Herder als invloedrijk denker. Hij stelde de eenheid van volk, staat en taal voorop: de gedeelde taal is wat een volk tot een natie maakt en die gedijt het beste binnen een eigen staatsverband, was de redenering. Ook uit die filosofie komt dus een streven naar talige uniformiteit voort. Vandaar de kracht van het standaardtaalideaal: het vloeit voort uit zowel ‘linkse’ als ‘rechtse’ bekommernissen. Aan de basis ervan kunnen zowel egalitaire, democratiserende intenties liggen als het verlangen naar een cohesieve gemeenschap.”

Meer en meer deed het ‘Verkavelingvlaams’ z’n intrede. Een term geïntroduceerd door Geert Van Istendael. Hij noemt het “een taal die gesproken wordt in de betere villa’s op de verkavelde grond van onze verminkte dorpen. Het is de taal van de jongens of meisjes die naar een deftige school gaan en andere kinderen uitlachen omdat die zo onbeschaafd praten”. Geert Bourgeois zei onlangs op de Nederlandse radio dat hij “gruwelt van de tussentaal”. Enkel de standaardtaal is volgens hem emancipatorisch en democratisch. “Het is een element van cohesie voor nieuwkomers. Het is een politieke taal.” Is taalgebruik discriminerend? Kijkt men anders naar mensen met een “verzorgd” taalgebruik dan naar mensen die een dialect of tussentaal spreken?

“Ik beschreef net de typische manier van denken over taal die eigen is aan de moderniteit. De citaten van Van Istendael en Bourgeois zijn daar goede voorbeelden van. Het is typisch ‘modern’ om de waardering voor de standaardtaal – als ‘neutrale’ taal die burgers emancipeert en hen toegang verschaft tot het publieke domein – te koppelen aan een romantische appreciatie van het dialect – de authentieke ‘voedingsbodem’ van de standaardtaal, die folkloristische interessant is en mag blijven bestaan in intieme kring. Wat tussen die twee polen invalt – de tussentaal – past niet in dat denkschema en doet mensen ‘gruwelen’. Die weerzin voor het ‘onzuivere’ zie je goed bij Van Istendael: net zoals verkavelingen noch de echte stad noch het ‘authentieke’ platteland vertegenwoordigen, valt tussentaal tussen de ‘zuivere’ standaardtaal en het ‘authentieke’ dialect. Hij koppelt de twee aan elkaar, maar een empirische basis daarvoor is er niet: bij mijn weten is nog nooit aangetoond dat er in verkavelingen meer tussentaal gesproken wordt dan elders. Ook Geert Bourgeois’ redenering combineert de verlichte en romantisch-nationalistische argumenten die ik net beschreef. Maar welke taalvorm het meest voor emancipatie en cohesie zal zorgen, hangt natuurlijk af van de context. Een Afghaanse immigrant die als zorgkundige aan de slag gaat in een West-Vlaams bejaardentehuis, zal daar wellicht beter zijn draai vinden als hij een mondje dialect kan.”

Wat is het verschil eigenlijk tussen een dialect en tussentaal?

“Taalstructureel gezien kan je spreken van een continuüm van dialect over tussentaal naar standaardtaal. Scherpe grenzen zijn er dus niet te trekken: er is heel wat overlapping tussen standaardtaal en tussentaal, en tussen tussentaal en dialect. Dialectologen en sociolinguïsten gaan er meestal van uit dat de ‘primaire’, d.w.z. de meest lokale en opvallendste dialectkenmerken, afwezig zijn in tussentaal, bijvoorbeeld de Antwerpse uitspraak van ‘mensen’ als ‘mengsen’, met ‘ng’. Ook secundaire dialectkenmerken, die een al iets grotere geografische spreiding hebben, maar die mensen nog altijd herkennen als dialectisch, zijn in tussentaal meestal (vrijwel) volledig afwezig, bijvoorbeeld de uitspraak van ‘boom’ als “boeëm” of “buuëm”. Tertiaire dialectkenmerken, daarentegen, komen voor in behoorlijk grote gebieden en vaak zijn sprekers zich van de dialecticiteit ervan niet of nauwelijks bewust, waardoor ze ook moeilijk onderdrukbaar zijn. Die kenmerken zijn vaak wél aanwezig in tussentaal. Denk aan de Brabantse uitspraak van ‘vis’ en ‘put’, die voor niet-Brabanders klinkt als ‘vies’ en ‘puut’. Andere typische kenmerken van tussentaal zijn het gebruik van verkleinwoorden op -ke, het weglaten van de eind-t in dat, wat en niet en het gebruik van ge en gij. Dat zijn allemaal oorspronkelijk dialectkenmerken, die wijdverspreid zijn in grote delen van Vlaanderen en die behouden zijn gebleven in tussentaal.”

Binnen het NT2 (Nederlands voor anderstaligen) onderwijs wordt er gepleit om nieuwe medeburgers een tussentaal aan te leren om “de taal van de echte Vlaming” te kunnen spreken. Moeten de nieuwe medeburgers dan drie talen aanleren: Nederlands, tussentaal en plaatselijk dialect?

“Dat is waar Walter Zinzen onlangs schamper over deed in Mo*. Maar het is een bedrieglijke voorstelling dat nieuwkomers drie talen zouden moeten aanleren. Er is immers aanzienlijke overlapping tussen standaardtaal, tussentaal en dialect. Het gaat dus niet om drie compleet verschillende talen zoals pakweg Nederlands, Bulgaars en Chinees dat zijn. Daarnaast lijkt het me een eerbaar uitgangspunt dat we nieuwkomers vertrouwd maken met de taalvariëteiten die gesproken en geschreven worden in de contexten waarin die mensen terechtkomen. De meeste geschreven communicatie verloopt nog altijd in het Standaardnederlands. Het is dus handig om die variëteit te kunnen begrijpen, lezen en schrijven. Maar die variëteit wordt in veel contexten niet gesproken. Dat kan je jammer vinden, maar dat is de realiteit. De Afghaan van daarnet zal in zijn West-Vlaamse bejaardentehuis het meest gebaat zijn met wat kennis van het lokale dialect. Als je mensen zelfredzaam wil maken en doen integreren, zal dat soms dus inderdaad iets anders betekenen dan hen alleen maar standaardtaal aanleren. Overigens is Vlaanderen op dat vlak niet uniek: in het Verenigd Koninkrijk, bijv., spreekt naar schatting maar 3% van de bevolking het Standaardengels van de BBC-nieuwslezers. Wie daarheen emigreert, wordt dus even goed met regionale, niet-standaardtalige variëteiten geconfronteerd.”

 We kunnen ons ook afvragen in hoeverre het Nederlands wordt beïnvloed door anderstaligen? Hebben etnische minderheden een impact op het Nederlands van de toekomst?

“Het hangt er een beetje van af wat je met ‘het Nederlands’ bedoelt. Je moet een onderscheid maken tussen taal zoals ze concreet gebruikt wordt in allerhande situaties en het abstracte idee van een taal die gecodificeerd is in woordenboeken en grammatica’s. Als je kijkt naar reëel taalgebruik, zie je dat daarin de anderstalige achtergrond van sprekers vaak doorschemert. Deels is dat onbewust – veel sprekers overgeneraliseren bijvoorbeeld de mannelijke/vrouwelijke verbuiging en zeggen een mooie boek i.p.v. een mooi boek, omdat mannelijke en vrouwelijke woorden vaker voorkomen in het Nederlands dan onzijdige. Anderzijds gebeurt het vaak ook bewust: door het gebruik van woorden als wajow of sahbi of de uitspraak van ‘sch’ als ‘sj’ kan je ook signaleren hoe je je tegenover iets of iemand positioneert, of dat je jezelf met een bepaalde groep affilieert, of net niet. Net zoals je dat ook doet door standaardtaal, tussentaal of dialect te gebruiken. De laatste tijd zie je dat Arabische woorden bovendien doordringen tot de bredere populaire jongerencultuur – zie bijv. de recente verkiezing van ‘ewa ja’ tot kinderwoord van het jaar. In dat opzicht wordt ‘het Nederlands’ dus zeker beïnvloed door anderstaligen. Maar die invloed vind je nauwelijks terug in woordenboeken en grammatica’s, die de standaardtaalnorm weergeven. Het lijkt me bv. onwaarschijnlijk dat onzijdige woorden binnen afzienbare tijd uit de Algemene Nederlandse Spraakkunst zullen verdwijnen.”

In het boek ‘De vele gezichten van het Nederlands’ waar jij en Jürgen Jaspers de bijdrage ‘Taal van eigen kweek: het Nederlands van etnische minderheden’ hebben geschreven, spreek je over nog een andere taalvariant namelijk het ‘Illegaal’. Wat is het ‘Illegaal’ en waar en door wie wordt dit vooral gebruikt?

“’Illegaal’ is de benaming die de jonge Marokkaanse Antwerpenaren in Jürgens onderzoek gebruikten voor gebrekkig Nederlands. Dat werd volgens hen vaak gesproken door ‘illegalen’ en andere buitenlanders die nog niet lang in Vlaanderen verbleven. Soms spraken ze voor de grap zelf ‘illegaal’, bijv. tegenover nieuwe of tijdelijke leerkrachten. Ze deden die dan geloven dat ze nauwelijks Nederlands spraken, om vervolgens die indruk weer onderuit te halen door plots over te schakelen op vlot Nederlands. ‘Illegaal’ was dus een vorm van taalspel, en een label voor andermans gebrekkige Nederlands. Het is dus zeker géén ‘nieuwe variëteit’ van het Nederlands. Net zomin is het een ‘serieuze’ vorm van taalgebruik die algemeen gangbaar zou zijn of terrein zou winnen.”

Is een standaardtaal nog relevant en nodig in een tijdperk van smsjes, what’s app, emails, twitter enz.?

“Dat lijkt me wel. Dagelijkse spreektaal is meestal niet standaardtalig en heel wat van de ‘nieuwe’ informele online communicatie verloopt evenzeer in een spreektalig register.  Maar we vergeten gemakkelijk dat in heel wat andere contexten, met name op het geschreven vlak, de standaardtaal wel de voertaal is. We vinden het volstrekt normaal dat kranten in standaardtaal worden gemaakt. Zakelijke communicatie en officiële overheidscommunicatie verlopen in het Standaardnederlands. Iedereen verwacht ook dat nieuwslezers Standaardnederlands spreken. De positie van de standaardtaal lijkt me in die domeinen hoegenaamd niet onder druk te staan, en ik denk ook niet dat daar snel verandering in zal komen.”

Interview: Sarah Mistiaen